Home / Kennisbank / Value-based healthcare (VBHC) uitgelegd

Value-based healthcare (VBHC) uitgelegd

Value-based healthcare meet de waarde van zorg als uitkomst gedeeld door kosten. Lees wat VBHC inhoudt en hoe je ermee start in je organisatie.

Value-based healthcare, meestal afgekort tot VBHC, is een manier van kijken naar zorg waarin waarde wordt gedefinieerd als de uitkomst die voor de patiënt telt, gedeeld door de kosten die nodig waren om die uitkomst te bereiken. Het is een korte formule met grote gevolgen. Niet het aantal verrichtingen bepaalt of zorg goed was, maar wat de patiënt eraan overhoudt.

Dat klinkt vanzelfsprekend, en toch is het een breuk met hoe de zorg decennialang is ingericht. Bekostiging, planning en kwaliteitsindicatoren draaien nog grotendeels om productie: opnames, consulten, ingrepen. Value based healthcare draait die volgorde om en vraagt eerst wat de patiënt wilde bereiken, en pas daarna hoeveel het heeft gekost om daar te komen.

Op deze pagina lees je wat het model precies inhoudt, hoe de verhouding tussen uitkomsten en kosten in de praktijk werkt, welke uitkomstsets bruikbaar zijn zonder de registratielast te laten exploderen, en wat het vraagt van bestuurders en zorgprofessionals. VBHC vormt een van de bouwstenen onder waardegedreven zorg, de bredere Nederlandse beweging waarin deze denkwijze wordt toegepast.

Wat value-based healthcare betekent

In de kern zegt VBHC dat zorg pas waarde toevoegt op het moment dat de uitkomst voor de patiënt opweegt tegen de inspanning en de kosten die ervoor nodig waren. Een technisch perfect uitgevoerde ingreep die de patiënt niet terugbrengt naar het leven dat hij wilde leiden, levert weinig waarde op. Een rustiger traject met minder interventies dat wél tot herstel leidt, levert die waarde wel.

Het model werd in 2006 uitgewerkt door Michael Porter en Elizabeth Teisberg in het boek Redefining Health Care. Hun analyse ging over de Amerikaanse zorg, waar aanbieders vooral concurreerden op prijs, volume en marktaandeel. Hun stelling was scherp: zolang de zorg op alles concurreert behalve op uitkomst, verliest de patiënt. Door waarde meetbaar te maken, ontstaat een richting waarin iedere partij belang heeft bij verbetering.

Belangrijk daarbij is dat “uitkomst” in dit model breder is dan overleving of complicaties. Porter onderscheidde drie lagen: of iemand de behandeling overleeft en gezond wordt, hoe het herstelproces verloopt in tijd, ongemak en complicaties, en hoe duurzaam de gezondheid daarna is. Die derde laag wordt in de praktijk het vaakst overgeslagen, terwijl juist daar zichtbaar wordt of een behandeling echt heeft geholpen.

VBHC is dus geen kwaliteitssysteem en geen bezuinigingsinstrument. Het is een manier om het gesprek over zorg te herordenen rond een vraag die simpel klinkt en zelden systematisch wordt gesteld: wat heeft deze patiënt er uiteindelijk aan gehad?

💡 Kernpunt: Waarde is in VBHC altijd een breuk. De teller is de uitkomst die voor de patiënt telt, de noemer zijn de kosten over het hele zorgtraject. Wie alleen aan de noemer sleutelt, bezuinigt. Wie alleen aan de teller werkt, houdt het niet vol.

De vier pijlers van value-based healthcare

VBHC rust op vier pijlers die alleen samen werken. De eerste is het meten van uitkomsten die er voor de patiënt toe doen. Dat zijn klinische uitkomsten zoals overleving, complicaties en heroperaties, maar net zo goed uitkomsten die de patiënt zelf rapporteert: pijn, mobiliteit, vermoeidheid, terugkeer naar werk, kwaliteit van leven. Pas als beide lagen zichtbaar zijn, kun je sturen op iets wat op waarde lijkt.

De tweede pijler is het begrijpen van kosten over de hele keten. Niet de kosten van één opname of één afdeling, maar de werkelijke kosten van het volledige traject dat een patiënt doorloopt. Time-driven activity-based costing wordt daarvoor vaak gebruikt: je brengt in kaart wie hoeveel tijd besteedt aan welke stap, en wat die tijd en de bijbehorende middelen werkelijk kosten. Dat levert regelmatig verrassingen op, omdat tarieven en werkelijke kosten in de zorg ver uit elkaar kunnen liggen.

De derde pijler is organisatie rond de aandoening in plaats van rond het specialisme. Porter noemde dat integrated practice units: multidisciplinaire teams die samen verantwoordelijk zijn voor de hele reis van een patiëntgroep, van diagnose tot nazorg. Zo’n team deelt niet alleen een spreekuur, maar ook de uitkomsten en de verantwoordelijkheid voor het resultaat.

De vierde pijler is bekostiging die meebeweegt met waarde. Bundelbetalingen en uitkomstgerelateerde contracten zijn daar voorbeelden van. In Nederland is dit de moeilijkste pijler. Er wordt volop mee geëxperimenteerd, maar het grootste deel van de financiering loopt nog via productie. Zolang dat zo is, moeten teams verbeteren tegen de prikkel van hun eigen bekostiging in.

Uitkomsten en kosten: hoe de breuk in de praktijk werkt

De formule waarde is uitkomst gedeeld door kosten is eenvoudig op papier en lastig in de uitvoering. Het begint al bij de vraag over welke periode je meet. Bij een heupvervanging is een jaar redelijk. Bij psychische klachten of chronische aandoeningen is de relevante periode veel langer, en verandert de uitkomst die telt onderweg. Een cliënt die in maand twee vooral rust wil, wil in maand tien misschien weer aan het werk.

Dan de noemer. Kosten in de zorg zijn zelden waar ze lijken te zijn. Een kortere ligduur ziet er op de ziekenhuisrekening goed uit, maar kan kosten verschuiven naar de thuiszorg, de mantelzorger of de gemeente. Wie de kosten alleen binnen de eigen muren telt, meet geen waarde maar een verschuiving. Serieus kijken naar VBHC betekent daarom dat je over de schotten van Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg en Wmo heen durft te rekenen, ook als je daar zelf geen budgethouder bent.

Er is nog een valkuil. Waarde kan stijgen doordat de uitkomst verbetert of doordat de kosten dalen. In organisaties onder financiële druk wint de tweede route bijna altijd, simpelweg omdat die sneller zichtbaar is in de cijfers. Dat maakt van VBHC een bezuinigingsverhaal met een sympathiek etiket. Dat kan anders, maar alleen als teams de uitkomstkant net zo hard bewaken als de kostenkant, en als bestuurders daar expliciet op sturen.

“Waarde is geen score die je achteraf uitrekent. Het is de vraag die je aan het begin stelt: wat wil deze patiënt hier eigenlijk mee bereiken, en hoe weten we straks of dat gelukt is?”

Uitkomstsets kiezen zonder de registratielast te laten exploderen

De praktische kern van VBHC is de uitkomstset: de afgesproken verzameling maten waarop een team zijn resultaten volgt. ICHOM, het internationale consortium dat standaardsets ontwikkelt, heeft voor veel aandoeningen zo’n set gepubliceerd. Het voordeel is vergelijkbaarheid. Teams kunnen hun uitkomsten naast die van collega’s in binnen- en buitenland leggen, en dat gesprek is vaak waardevoller dan het cijfer zelf.

Een uitkomstset combineert doorgaans drie bronnen. Klinische data komen uit het dossier en de bestaande registraties. Door de patiënt gerapporteerde uitkomsten worden opgehaald met vragenlijsten, de PROMs. Ervaringen met het zorgproces zelf worden gemeten met PREMs. Samen geven ze een beeld dat geen van de drie alleen kan geven.

Hier ontstaat ook het grootste praktische probleem: registratielast. Zorgprofessionals registreren al veel, patiënten krijgen al veel vragenlijsten. Een uitkomstset die daar ongefilterd bovenop komt, sterft een stille dood. De respons zakt, de data worden onbetrouwbaar en het team verliest vertrouwen in de cijfers. Vier vuistregels helpen: begin met een kleine set, meet alleen wat je daadwerkelijk gaat bespreken, koppel het meetmoment aan een consult dat er toch al is, en hergebruik zoveel mogelijk data die al in het dossier staan.

Even belangrijk is wat er met de uitslag gebeurt. Een PROM die in een database verdwijnt, is administratie. Dezelfde PROM die vlak voor het consult wordt ingevuld en op tafel ligt tijdens het gesprek, verandert dat gesprek. Wel is het goed om te weten waar PROMs en QALY’s tekortschieten, want gestandaardiseerde vragenlijsten vangen niet alles wat voor iemand van waarde is.

Wat value-based healthcare vraagt van bestuur en professionals

VBHC is voor een klein deel een meetvraagstuk en voor een groot deel een verandervraagstuk. Van bestuurders vraagt het vooral tijd en volhouden. Uitkomsten verzamelen, leren interpreteren en vertalen naar aangepaste zorgpaden kost jaren, geen kwartalen. Organisaties die VBHC als project met een einddatum inrichten, halen de fase waarin het rendement zichtbaar wordt vrijwel nooit.

Daarnaast vraagt het om een veilige leeromgeving. Uitkomstdata maken variatie zichtbaar, en variatie voelt al snel als een oordeel over de dokter die aan de verkeerde kant van het gemiddelde staat. Als die data via de lijn naar boven bewegen en terugkomen als beoordeling, stopt het leren onmiddellijk. Werkt het wel, dan zijn het de teams zelf die hun cijfers bespreken, en gebruikt het bestuur de data om patronen te zien en drempels weg te nemen.

Van professionals vraagt VBHC eigenaarschap over de hele patiëntreis, ook over de delen waar zij zelf niet aan tafel zitten. Dat betekent samenwerken met de fysiotherapeut, de huisarts, de verpleegkundig specialist en soms met het sociaal domein. Het multidisciplinair overleg verandert van casusbespreking naar patroonbespreking: niet alleen deze patiënt, maar deze groep patiënten, en wat de cijfers over hen laten zien.

En het vraagt om een andere rol van de patiënt. Uitkomsten die ertoe doen kun je niet in een vergaderzaal vaststellen. Die haal je op bij de mensen om wie het gaat, en je gebruikt ze vervolgens in het gesprek over behandelopties. Daarmee raakt VBHC direct aan uitkomstgerichte zorg en aan samen beslissen, twee bewegingen die zonder betrouwbare uitkomstdata weinig om het lijf hebben.

Value-based healthcare in de Nederlandse zorgpraktijk

Nederland heeft een eigen geschiedenis met dit gedachtegoed. De Santeon-ziekenhuizen zetten samen met zorgverzekeraars uitgebreide VBHC-programma’s op voor onder meer borstkanker, prostaatkanker, longkanker en heupartrose, waarin zij hun uitkomsten openlijk met elkaar vergeleken. Diabeter, de gespecialiseerde diabeteskliniek, wordt internationaal genoemd als voorbeeld van een integrated practice unit. Het Linnean Initiatief bracht onderzoekers, zorgorganisaties, verzekeraars en patiëntenorganisaties bij elkaar om kennis over waardegedreven zorg te delen.

Wat in die programma’s steeds terugkomt: zorgpaden worden korter waar stappen blijken te ontbreken aan waarde, artsen passen hun praktijk aan zodra zij de resultaten van collega’s zien, en patiënten ervaren meer regie omdat zij meedoen aan de meting van hun eigen herstel. Het effect zit vaak minder in het dashboard dan in het gesprek dat het dashboard uitlokt.

Tegelijk loopt VBHC in Nederland op een paar plekken structureel vast. De bekostiging is er de bekendste van: zolang inkomsten aan productie hangen, betaalt een team dat minder onnodige zorg levert daar zelf de rekening voor. Ook de schotten tussen domeinen zitten in de weg, want de opbrengst van betere zorg valt vaak in een ander budget dan waar de investering wordt gedaan.

Een tweede knelpunt is multimorbiditeit. VBHC werkt het sterkst bij een afgebakende patiëntgroep met een herkenbaar traject. Bij mensen met meerdere aandoeningen tegelijk, en bij vraagstukken waar sociale omstandigheden zwaar meewegen, is de vraag welke uitkomst je meet ineens veel lastiger te beantwoorden. En het derde knelpunt is opschaling: veel organisaties hebben een goed draaiende koploperafdeling, maar krijgen de werkwijze niet vertaald naar de rest van het huis, omdat daar de tijd, de data-ondersteuning of de urgentie ontbreekt.

Van value-based healthcare naar waarde die verder reikt dan de spreekkamer

VBHC is de internationale, methodische basis. Waardegedreven zorg is de bredere Nederlandse vertaling, die het model combineert met samen beslissen, persoonsgerichte zorg en de verbinding met het sociaal domein. In de praktijk gebruiken mensen beide termen door elkaar, maar het onderscheid is bruikbaar: VBHC levert het gereedschap, waardegedreven zorg bepaalt waar je het op richt.

Dat verschil wordt concreet zodra je kijkt naar wat er buiten de behandeling gebeurt. Een behandeling die klinisch slaagt maar iemand niet terugbrengt naar werk, sociale contacten of een eigen huishouden, heeft een deel van zijn waarde niet geleverd. Door uitkomsten ook uit te drukken in leefgebieden, zoals werk en inkomen, sociale relaties, wonen en dagelijks functioneren, wordt zichtbaar wat er in iemands leven daadwerkelijk verandert. Dat geeft een rijker beeld dan een enkele gestandaardiseerde score.

Bij Purpose noemen we dat de combinatie van meetbaar en merkbaar. Meetbaar is de kwantitatieve kant: uitkomstmaten, kosten, vermeden zorggebruik. Merkbaar is de belevingskant, opgehaald via interviews en journey mapping, waarin patiënten in hun eigen woorden vertellen wat een traject met hen deed. De cijfers laten zien dát er iets verandert, de verhalen laten zien waaróm. Wie alleen telt, mist de helft. Wie alleen luistert, kan niet sturen.

💡 Kernpunt: Een effectmeting die alleen laat zien wat werkt, is een marketingverhaal. Een effectmeting die ook laat zien waar mensen afhaken, geeft je de knoppen om aan te draaien.

Hoe je de waarde meetbaar maakt: een werkbare route

Waarde meetbaar maken begint niet bij een dashboard, maar bij een verwachting. Modelleren is de eerste stap: schrijf op welke verandering je verwacht, voor wie, via welke tussenstappen, en waaraan je zou merken dat het werkt. Die verandertheorie dwingt tot precisie en maakt meteen duidelijk welke uitkomsten er eigenlijk toe doen. Zonder die stap meet je later wat toevallig beschikbaar is in plaats van wat je wilde weten.

Meten is de tweede stap. Combineer daarbij bronnen: klinische data uit het dossier, uitkomsten die patiënten zelf rapporteren, en kwalitatief onderzoek onder alle betrokkenen. Vraag ook de professional en waar mogelijk de naaste. Een interventie die goed scoort bij cliënten maar de huisarts extra werk oplevert, is op termijn niet houdbaar, en dat zie je alleen als je meerdere perspectieven uitvraagt.

Monitoren is de derde stap, en de meest verwaarloosde. Een eenmalige meting geeft een momentopname; pas herhaald meten laat zien of een verbetering standhoudt en of een aangepast zorgpad echt beter is. Bouw daarom een ritme in waarin het team met vaste tussenpozen naar dezelfde cijfers kijkt en er conclusies aan verbindt.

De vierde stap is monetariseren, en die maakt vaak het verschil in het gesprek met financiers. Vertaal effecten naar euro’s waar dat verantwoord kan: vermeden crisiszorg, minder inzet van ambulante begeleiding, lagere verzuimkosten, minder beroep op ondersteuning vanuit de Wmo, een verlaagde mantelzorgdruk. Zo ontstaat de brug tussen klinisch relevant en investeringswaardig. Wil je dit voor je eigen organisatie opzetten, dan denken we vanuit onze consultancy voor de gezondheidszorg graag mee over de opzet en de meetbaarheid.

Van verwachting naar euro’s
Vier stappen om waarde meetbaar te maken
  1. Modelleren
    Schrijf op welke verandering je verwacht, voor wie, via welke tussenstappen en waaraan je zou merken dat het werkt. Zonder die stap meet je later wat toevallig beschikbaar is.
  2. Meten
    Combineer klinische data uit het dossier, uitkomsten die patiënten zelf rapporteren en kwalitatief onderzoek. Vraag ook de professional, en waar mogelijk de naaste.
  3. Monitoren
    Herhaald meten met vaste tussenpozen, want een eenmalige meting is een momentopname.
  4. Monetariseren
    Vermeden crisiszorg, minder ambulante begeleiding, lagere verzuimkosten, minder beroep op de Wmo en lagere mantelzorgdruk.

Sturen op waarde is een leerproces, geen eindstation

Value-based healthcare is geen model dat je invoert en daarna afvinkt. Het is een manier van werken waarin je steeds opnieuw de vraag stelt wat een behandeling oplevert voor de mens die hem ondergaat, en of die opbrengst in verhouding staat tot wat de samenleving eraan besteedt. Organisaties die daarin ver komen, delen een paar kenmerken: ze beginnen klein, ze meten weinig maar consequent, en ze bespreken hun cijfers in het team voordat iemand anders er iets van vindt.

De grootste winst zit zelden in de techniek. Die zit in het gesprek dat op gang komt zodra uitkomsten op tafel liggen, tussen professionals onderling en tussen professional en patiënt. Data maken de vraag scherper, maar het antwoord komt van mensen. Anders denken, anders doen, en dan meten of het ook echt beter is geworden.

Werk je aan zo’n traject en zoek je iemand die zowel de meetkant als de veranderkant begrijpt, kijk dan bij ons adviesbureau voor de zorgsector voor de manier waarop we dat aanpakken.

Veelgestelde vragen

Wat is value based healthcare in het kort?

Value based healthcare is een model waarin de waarde van zorg wordt uitgedrukt als de uitkomst die voor de patiënt telt, gedeeld door de kosten over het hele zorgtraject. Het verschuift de aandacht van productie naar resultaat. Het model werd in 2006 beschreven door Michael Porter en Elizabeth Teisberg.

Is value-based healthcare hetzelfde als waardegedreven zorg?

Bijna, maar niet helemaal. VBHC is de internationale methodiek met vier pijlers: uitkomsten meten, kosten over de keten begrijpen, organiseren rond de aandoening en bekostigen op uitkomst. Waardegedreven zorg is de bredere Nederlandse term die dat combineert met samen beslissen, persoonsgerichte zorg en de verbinding met het sociaal domein.

Welke uitkomstmaten gebruik je bij VBHC?

Een combinatie van klinische uitkomsten zoals overleving, complicaties en heroperaties, en door patiënten gerapporteerde uitkomsten over pijn, functioneren en kwaliteit van leven. Vaak worden daar ervaringsmaten over het zorgproces aan toegevoegd. ICHOM publiceert voor veel aandoeningen standaardsets die deze combinatie internationaal vergelijkbaar maken.

Hoe voorkom je dat VBHC de registratielast vergroot?

Begin met een kleine set en breid pas uit als die set aantoonbaar wordt gebruikt. Meet alleen wat je ook echt gaat bespreken, koppel meetmomenten aan consulten die er toch al zijn en hergebruik data die al in het dossier staan. Zodra professionals merken dat de uitkomsten hun eigen werk verbeteren, verandert meten van last in hulpmiddel.

Voor welke aandoeningen werkt value-based healthcare het beste?

Het werkt het sterkst bij een afgebakende patiëntgroep met voldoende volume, meetbare uitkomsten en een traject dat binnen een overzienbare periode is af te ronden. Heupartrose, borstkanker, hartfalen en diabetes zijn klassieke voorbeelden. Bij multimorbiditeit en bij vraagstukken waar sociale omstandigheden zwaar meewegen, is de aanpak complexer maar zeker bruikbaar.

Wat is een integrated practice unit?

Een integrated practice unit is een multidisciplinair team dat samen verantwoordelijk is voor de volledige zorg rond één aandoening of patiëntgroep, van diagnose tot nazorg. Het team deelt niet alleen de patiënten, maar ook de uitkomsten en de verbeteracties. Daarmee vervangt het de traditionele indeling naar specialisme en afdeling.

Benieuwd wat dit voor jouw organisatie betekent?

Laat je gegevens achter, dan nemen we contact met je op. Geen verkooppraatje, wel een gesprek over jouw vraagstuk.

← Terug naar kennisbank

Meer weten of verder verdiepen?

Deze kennisbank biedt een overzicht van inzichten, onderzoeken en cases uit de praktijk. Gericht op het verbeteren van beleid, dienstverlening en maatschappelijke impact.

Neem contact op

Wij geloven in gelijke kansen voor iedereen. Ongeacht waar je wieg heeft gestaan. Ook al wonen we in een welvarend land, we zien maatschappelijke uitdagingen. Daar willen we oplossingen voor bieden.

Anders denken.
Anders doen.